De landbouw in Vlaanderen

Land- en tuinbouw in Vlaanderen heeft traditioneel een familiaal karakter, maar net als de landbouw in andere regio's, wordt in toenemende mate gekenmerkt door schaalvergroting, modernisering en uitbreiding. In Vlaanderen, intensieve sectoren vormen het grootste segment van de landbouw: varkenshouderij, pluimvee- en melkveehouderij, groenten en fruit, sierteelt. In Wallonië, het Franstalige deel van België ligt de nadruk meer op de akkerbouw en uitgebreide de grondgebonden veehouderij.

Economisch belang

De agrarische sector wordt steeds minder belangrijk in de Vlaamse economie als een bron van werkgelegenheid en toegevoegde waarde, maar is nog steeds de hoeksteen van het platteland. In 2008, de toegevoegde waarde van de primaire sector brutowaarde had een aandeel van 0,8% in de totale Vlaamse toegevoegde brutowaarde.

In 2010, de laatste productie waarde van de verkoop activiteiten van de Vlaamse land- en tuinbouw 'werd geschat op 5,1 miljard. Dit is een stijging met 11% ten opzichte van 2009 en het hoogste cijfer dat in de afgelopen tien jaar. Van de totale productiewaarde, veeteelt is goed voor 57%, 31% tuinbouw en akkerbouw 12%. De vijf belangrijkste landbouwproducten zijn varkensvlees, groenten, zuivel, vlees en sierteeltproducten.

In 2010 werden 56.575 mensen regelmatig werkzaam in de land- en tuinbouw. Sinds 2000 is het aantal werknemers met gemiddeld gedaald met bijna 3% per jaar. Want er zijn heel veel niet-reguliere werknemers in de landbouw, zoals seizoenarbeiders en aannemers, rekenen we dat cijfer onder de full-time werknemers. Vlaamse land- en tuinbouw telt 44.058 voltijdse werknemers. 33% van hen werken in gespecialiseerde tuinbouwbedrijven, 18% in gemengde ondernemingen en 13% in de melkveehouderij.

Structurele aspecten

In 2010 waren er 28.331 agrarische bedrijven in Vlaanderen. In de afgelopen tien jaar is het aantal ondernemingen daalde met ongeveer 30%. Dit is een daling van 3,6% per jaar. Tegelijkertijd was er een voortdurende schaalvergroting. In vergelijking met 2000 is de gemiddelde totale landbouwareaal met ten minste 40% tot 21,8 ha. 86% van de landbouwbedrijven zijn gespecialiseerd in een bepaald type van de landbouw. Met 52%, veeteelt veruit de belangrijkste specialisatie.

De veestapel is ook afneemt. In 2010 waren er 1,3 miljoen runderen in Vlaanderen, 6,0 miljoen varkens en 29,1 miljoen pluimvee. Dat is tussen de 15% en 20% minder dan tien jaar geleden. In de afgelopen tien jaar, is het totale landbouwareaal relatief stabiel gebleven. 46% van het Vlaamse landbouwareaal, of 617.000 ha wordt gebruikt voor de land- en tuinbouw. Weiden, weidegronden en voedergewassen goed voor 60% van de totale oppervlakte, die wijst op het belang van veeteelt in Vlaanderen.

In 2010, de biologische landbouw gebruikt een areaal van 3822 ha in Vlaanderen, 0,6% van het totale landbouwareaal. Het aantal biologische landbouwbedrijven bedraagt ​​256 eenheden, een netto toename van 14 eenheden in vergelijking met 2009. In de afgelopen jaren is het areaal en het aantal bedrijven gestaag toegenomen, mede onder impuls van het strategisch actieplan voor biologisch Landbouw 2008-2012.

Regionale spreiding

Het belang van de agrarische sector in Vlaanderen afhankelijk van de regio. Een agrarische distributie kaart toont het resultaat van een indeling van de gemeenten met vergelijkbare agrarische activiteit. De typische regio's herkenbaar zijn: fruit rond Sint-Truiden en fruit rond Sint-Katelijne-Waver, Roeselare en Hoogstraten. Sierteelt wordt beoefend rond Gent. Varkenshouderij maakt zijn huis in West-Vlaanderen, Meetjesland, Waasland en de Kempen. Melkvee is het van belang in de Vlaamse Ardennen en het Pajottenland, en in combinatie met het fokken in de Kempen. Runderen worden voornamelijk in de regio rond Brugge, de zuidelijke delen van West- en Oost-Vlaanderen en in combinatie met akkerbouw in Vlaams-Brabant en Zuid-Limburg.

De verklaring voor deze variatie is te vinden in de geschiedenis en in de factoren die van bodem fysica. Fokkerijen hebben zich geïnstalleerd in de onmiddellijke nabijheid van de mengvoederindustrie en de slachthuizen. Groente- en fruitteelt is geconcentreerd rond de veiling en zijn afgeleide industrie. Akkerbouw voornamelijk optreedt op rijke bodems en veeteelt op armere bodems.

Landbouw en milieu

De eco-efficiëntie van de Vlaamse landbouw is toegenomen sinds 2000, zoals het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen en voedingsstoffen en de uitstoot van broeikasgassen en de fijne deeltjes in de lucht getuigen van een neerwaartse trend. Alleen de erosiegevoeligheid veroorzaakt door het land teelt is toegenomen. De toename van de omvang van het bedrijf en de krimpende veestapel hebben de daling van de emissie versterkt.

In 2008, de agrarische sector gebruikt 48 miljoen m³ water. Dat is iets meer dan in 2007, maar minder dan in 2005 en 2006. Van dat water, 40% is diep grondwater en iets meer dan een kwart is regenwater. In 2008, het totale energieverbruik door de landbouw bedroeg 26 petajoule. Dat is minder dan in 2007. Petroleum is nog steeds de belangrijkste bron van energie, maar er is een duidelijke verschuiving naar aardgas en energie uit warmtekrachtkoppeling ook op de stijging. Glastuinbouw is de grootste gebruiker van water en energie.

In 2008 bedroeg de totale uitstoot van broeikasgassen methaan, lachgas en kooldioxide uit de landbouw was 8385 ton CO2-equivalenten. Dat is een daling van 18% ten opzichte van 1990. Landbouw heeft nog steeds een deel van de totale uitstoot van broeikasgassen met 11%, terwijl 56% van de N2O-emissies en 76% van de CH4-emissies afkomstig van de landbouw. Methaanemissies zijn hoofdzakelijk afkomstig uit de spijsvertering processen uit de veehouderij. De exacte bijdrage van de Vlaamse land- emissies naar de lucht totaal PM-concentraties en negatieve effecten op de gezondheid zijn niet bekend.

Landbouwbeleid

Internationale ontwikkelingen hebben een impact op de landbouw in Vlaanderen en Europa: de groeiende wereldbevolking, de klimaatverandering, de uitputting van fossiele brandstoffen en niet-hernieuwbare grondstoffen, de prijsschommelingen van levensmiddelen, contact met genetisch gemodificeerde organismen. In de toekomst zal de agrarische sector worden geconfronteerd met een toenemende liberalisering van de wereldhandel en de globalisering van voedselketens. De onlangs geïntroduceerde Europa 2020-strategie en het komende financieel kader op lange termijn creëren van een context waarin het gemeenschappelijk landbouwbeleid zal moeten zijn relevantie aan te tonen en moet functioneren na 2013.

In 2009 in Vlaanderen, ontvangen 23.500 boeren bijna € 269.000.000 in directe ondersteuning. Dat is een gemiddelde van € 11.450 per bedrijf. Aanspraak rechten waren goed voor € 233.000.000 van dit bedrag. De zoogkoeienpremie was goed voor € 29.100.000 en de slachtpremie voor kalveren voor € 5.700.000. In 2008, de directe steun hadden gemiddeld een aandeel van 5% van het rendement en 25% van het landbouwinkomen in de land- en tuinbouw. Met 27%, de melkveehouderij had het grootste deel van de rechtstreekse steun, gevolgd door runderen met 18% en gemengd vee met 11%.

In 2009 waren er meer dan 102 miljoen euro aan overheidssubsidies voor het programma voor plattelandsontwikkeling in Vlaanderen. Investeringen met een positieve bijdrage aan het milieu waren goed voor € 26.600.000. Het grootste deel van die ging naar WKK-installaties, fotovoltaïsche cellen, zonne-water-verwarmingssystemen en ammoniak-emissie-arme varken kraampjes. In 2008, de steun voor plattelandsontwikkeling nam 2% van het rendement en 9% van de landbouwinkomens. Tuinbouw had een aandeel van 21% en met dat verliet de varkens- en melkveehouderij achter.

Sociale aspecten

De gemiddelde leeftijd van de exploitanten van professionele landbouwbedrijven is gestegen van 46,5 jaar in 2000 naar 50 jaar in 2010. Het grootste percentage van de exploitanten - een vijfde - is tussen de 45 en 50 jaar oud. De middenklasse en de categorie 65 jaar en ouder hebben toenemende betekenis. Het resultaat is vooral een probleem voor de kleinere bedrijven.

Het opleidingsniveau van de Vlaamse boerderij exploitanten is gestaag toegenomen in de afgelopen tien jaar. In 1959, 95% van de boerderij exploitanten had alleen praktische ervaring; in 2010, 52%. Vandaag de dag zijn het vooral de kleine boerderijen die worden uitgevoerd door marktdeelnemers die alleen praktijkervaring. Hoe groter het bedrijf, hoe meer de exploitanten genoten van een hoger niveau van het onderwijs. In 2010, 28% van degenen die het starten van een boerderij had een hoger onderwijs, 68% had een secundair onderwijs en 4% had een lagere opleiding.

Armoede is een realiteit in het platteland. Het aantal boeren in nood die een beroep op de vzw Boeren op een Kruispunt is toegenomen sinds de oprichting in 2007 tot het aantal weer gedaald in 2010. Het gaat om 200 toepassingen, vooral uit West-Vlaanderen en Oost-Vlaanderen.

Landbouw binnen de agro-business complex

De agrarische sector staat niet op zichzelf, maar is onderdeel van een veel bredere agro-business complex. Naast de land- en tuinbouw, is een belangrijke rol speelde ook door agrarische toelevering, de voedingsindustrie en de handel. De trend is dat een daling van het aantal kleine bedrijven produceren verhogen van de omzet en toegevoegde waarde. Volgens de laatste cijfers van de Vlaamse agro-business complexe getallen 42.600 boerderijen aan BTW en realiseert een omzet van € 51700000000 en een toegevoegde waarde van € 6300000000 waarde. Sinds 2000 is de omzet met een kwart gestegen. Werkgelegenheid nummers 104.000 werknemers. De voedingsindustrie is verantwoordelijk voor meer dan de helft van de toegevoegde waarde en werkgelegenheid.

In 2009 bedroeg de totale Belgische handel in landbouwproducten boekte een positieve handelsbalans. Export is goed 30 miljard euro terwijl de import bedraagt ​​27 miljard. Zowel import als export liet een daling zien ten opzichte van 2008. In 2009, het handelsoverschot daalde ook 4% naar 3,4 miljard. Export van agrarische producten bedroeg het aandeel van de totale Belgische export 12%. Wat meer opvalt is dat de agrarische sector vertegenwoordigt ongeveer een kwart van de totale Belgische handelsoverschot. Het handelsoverschot kan vooral worden toegeschreven aan dierlijke producten, zoals varkensvlees, en agro-industriële producten. Betrekking tuin producten, de export van diepvriesgroenten is opmerkelijk.

(0)
(0)
Commentaren - 0
Geen commentaar

Voeg een reactie

smile smile smile smile smile smile smile smile
smile smile smile smile smile smile smile smile
smile smile smile smile smile smile smile smile
smile smile smile smile
Tekens over: 3000
captcha